“Flexibel hoger onderwijs niet houdbaar”, kopte De Morgen eerder deze week. Een nieuw academiejaar, een nieuw ballonnetje over onderwijs dat wordt opgelaten. Onderwijsminister Pascal Smet is er een krak in om de ballonnen uit de lucht te halen nog voor ze zelf opnieuw de aarde opzoeken en voert prompt een “oriëntatietest” in. Over het hoe, wat en wanneer blijft hij in het ongewisse.
Uit cijfers bleek namelijk dat maar liefst 60 % van de universiteitsstudenten faalt in het eerste jaar. Dat deze in de kop meteen doorgetrokken tot het volledige hoger onderwijs, is misschien een liederlijke interpretatie van de journalist. Voor de reden van die lage slaagcijfers wordt verwezen naar de flexibilisering van het hoger onderwijs, maar vooral naar de daaruit voort gekomen “mentaliteitswijziging” bij de studenten:
Omdat jongeren vakken kunnen uitstellen, staat het studeren niet meer centraal. Het is een onderdeel geworden van een tijd waarin het weekend, de vriendenkring en hobby’s primeren. Dat zorgt er wel voor dat ze vaak een extra jaar nodig hebben om de uitgestelde cursussen te voltooien.
Allemaal de schuld van de verloederde geesten onder de studenten. De broers luierik en dommerik mochten nét niet opdraven. En de repliek van studenten zelf, of bij monde van studentenverenigingen? Nergens te bespeuren. Dat het groteske falen van professoren en docenten op een taaltest Engels hiermee een randbericht werd, was waarschijnlijk mooi meegenomen.