Er zijn een aantal voordelen verbonden aan om de zoveel dagen het Vlaamse land af te tuffen naar opnieuw een selectietest of -gesprek teneinde een professionele bezigheid te verwerven. Niet iedere job wordt aangeboden in Gent of Brussel. Zo leidde één sollicitatie me op een vroege zaterdagochtend doorheen slingerende en met nevelsluiers bedekte landwegen naar Beernem. Het zou de aankondiging blijken van een late nazomerdag.
Gisteren werd mij een minder idyllische bestemming toevertrouwd. Op een zeer regenachtige middag een halfuurtje stoptreinen doorheen één groot voorstedelijk gebied tot in Erembodegem: daar zou je mij op een vakantiedag nu niet per se een plezier mee doen. Bleek dat ik mijn ticket verkeerd ingevuld had: provinciaal die ik ben, ging ik ervan uit dat Erembodegem geen eigen station heeft. Fout. In de driehoek Antwerpen-Brussel-Gent heeft ieder gat een station. (Zo kan ik mij er nog steeds over verbazen dat Balegem er zelfs over twee beschikt, maar dat terzijde) Nu goed: gezien de neerslag, was ik daar blij om.
Ik weet niet of het aan het weer lag, aan mijn achtergrond of aan de bestemming; maar het was mistroostig. Een aaneenschakeling van voorstedelijke wijken: drop mij vijf kilometer verder en ik zie geen verschil. Doodsheid: geen kat op straat, geen hond wordt door dit weer gejaagd, geen mens te bekennen. Op de achtergrond druist de E40. Sluit de ogen en je kan een paar seconden wijsmaken dat je op de dijk staat. Tot je diep inademt en je snel je ogen opent om te controleren of je niet pal voor een uitlaat bent gaan staan.
Het station is verlaten. Is een plaatselijke treinstopplaats – stations kun je die dingen moeilijk noemen – ooit niét verlaten? Ik spurt/spring/stuntel naar het schuilhokje, ingenieus geplaatst op 500m voorbij het station. Het is zo’n oud geval: groot, lomp, met beton. Het is dan misschien wel lelijk en het stinkt er een beetje, maar als je erin staat ben je tenminste droog. Dat in tegenstelling tot de nieuwste generatie schuilhokjes bij bus- en treinhaltes. In dit restant uit de vroege jaren ’90 is geen plaats voor reclame. Geen wulpse dames die me aanstaren of filmaffiches die me eraan doen herinneren waarom ik niet zo vaak meer in bioscopen vertoef.
Oldschool graffiti en met viltstiften geschreven cryptische boodschappen van erotische aard. Creatief in grammatica, dat zijn ze zeker, in woordenschat helaas iets minder. Melissa, Stacey en Shania zijn allen op zoek naar de vlam van hun leven. Omdat een annonce niet te betalen is, proberen ze het maar op deze manier. Als je wat klinkers verdraait, wat letters toevoegt en af en toe wat aandacht aan d’s en t’s gaat geven, kan je ze ontcijferen. Ze geschieden van een schunnigheid waar zelfs H. Brusselmans rode wangetjes van zou krijgen. Nu ja, interessant is het alleszins wel. Als je op de trein staat te wachten en het je droog houdt, tenminste.
De tijd van x hartje y in 1993 is duidelijk gepasseerd.

