ENGELENLAND

Hij slaat zijn handen rond de balustrade, nam gretig enkele halen zeelucht tot zich en sloot zijn ogen. Zo was het goed. Het deed hem denken aan zijn eerste vakantie aan de kust met zijn tante. Het moet ergens voor de oorlog geweest zijn. De meeuwen, die nu als engelbewaarders rond hem cirkelden, aanschouwde hij als zendelingen van Satan. Zo’n gigantische vogels die zich voeden met afval en uitwerpselen, dat vond hij van het laagste wat deze wereld te bieden had. En tegelijkertijd van het hoogste. Hij tuurde als kind over het water en meende in iedere wolk aan de horizon een afspiegeling van de overkant te zien, Engelenland. Zijn wereld moet toen zowel gigantisch vergroot als gekrompen zijn.

Hij laat de balustrade even los en mikt zijn sigaret in zijn mondhoek. Zijn vrouw zou hem vernietigende blikken geserveerd hebben. Ze hield niet van zijn roken noch van zijn drinken. Ze leerde leven in de schaduw van zijn donkere buien. Ze moet angstig geweest zijn. Angst om door een opgever als een verloren wedstrijd achtergelaten te worden. Cynisch genoeg was zij degene die hem achterliet. Ondanks zijn likeuren en rookgeuren, ondanks zijn neerslachtigheid heeft hij het langer uitgehouden. Hij rees zijn armen ten hemel om haar van antwoord te dienen.

Of was het uit pure lafheid dat hij nu nog zoute geuren kon staan inhaleren? Misschien werd zij wel beloond door vroegtijdig te mogen gaan rusten, terwijl hij nog mocht borrelen in eigen nat. Borrelen, dat moest hem nog wel lukken, maar gestraft worden om zijn miserie viel hem zwaar. Hij had zich altijd al gewenteld in een vreemdsoortige mix van een egoïstische empathie en zelfmedelijden. Hij voelde de miserie van medemensen als geen ander aan, wat hem vaak nog somberder stemde. Die empathische gevoelens incarneerde hij dan als zijn eigen gevoelens, waarin hij zich naar hartelust zelfmeelijwekkend kon rollen. Natuurlijk miste hij haar, maar meer nog voelde hij het onrecht dat hem werd aangedaan door zijn leven nog ongelukkiger te maken.

Net als zoveel decennia geleden tuurde hij in de verte. Turen naar de tijd die voorbijglijdt in golvende bewegingen, golf, golf. Met zijn 74 herfsten stonden hem vermoedelijk nog een aantal pakken strafjaren te wachten. Hij zou er zich in wentelen, in rollen en in borrelen.  Het gedwee volgen van het brein. Het gedwee volgen van het lot. Het meezeilen op de golven des levens, golf, golf.

En de meeuwen meeuwden statig. *

(*Eerlijk is eerlijk, de laatste lijn kennen we hiervan)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *