Ik had mij genesteld in een donker hoekje waar ik tegelijkertijd zichtbaar als onzichtbaar was. Een box deed dienst als knusse troon, terwijl een van z’n soortgenoten als een aureool boven mij zweefde. Buiten joelt de massa, binnen drinkt de menigte. Een vreemde potpourri van lui uit allerlei windstreken blijft de keet binnenstromen. Ik groet hen vanop mijn troon: wees allen welgekomen. Sommigen van hen houden halt en wensen mij ook een hartelijke welkomst en vragen zich af wat er allemaal gaande is. Ik zeg dat ik het ook niet meer weet, en neem een teug van mijn whisky.
Wanneer ze me in mijn zij port, lijkt het allemaal even wat trager te gaan. Als ik het daarnet niet meer wist, dan nu zeker niet meer. Letterlijk. Wie? Als een brandweersirene begint haar naam in mijn hoofd te loeien. Even is alle bewustzijn weg. Ik tast mijn troon af en merk dat hij steeds meer begint te wankelen; de aureool boven mijn hoofd verandert in een zwaard van Damocles. Als een demon blijft ze me achtervolgen, teisteren bijna. Al doet dat haar maar al te veel oneer aan. De sprankelende lach en de ogen met een aantrekkingskracht waar zelfs Newton geen raad mee zou geweten hebben, lijken in het niks op een demon. Wellicht blijf ik haar achterna hollen, alsof mijn onderbewustzijn haar niet lossen kan. Wanneer de schim uit mijn onderbewustzijn concreet wordt, lijkt de ruimte rondom mij te imploderen.
Met een verwarde blik tuurt ze naar mijn non-reactie. Ik zet m’n conversatiemodus op automatische piloot en probeer me te concentreren op mijn wankelende troon. Misschien toch maar beter een stoel nemen. Ze kijkt vragend, hunkerend bijna. Enfin … zo luidt de interpretatie in mijn hersenpan. Ik probeer niet hunkerend te kijken. Ik vrees dat het mislukt. Ik neem nog een slok en zeg dat ik naar een stoel op zoek ga. Verweesd laat ik de prinses aan de voet van wat mijn troon was.
Ze vlijt zich naast iemand in een knusse zetel. Telkens de blikken elkaar als een degen kruisen, wordt de schim opnieuw concreet. Het verdedigingsmechanisme treedt in werking. Knotsen worden vermeden. Ik vraag me af waarom ik mezelf zo blijf pijnigen, ga op zoek naar mijn jas en besluit het rijk achter te laten. Terwijl ik iedereen voorzie van een fijne afscheidswens nemen de blikken het opnieuw op in een degengevecht. Knotsende knikkers, wederom. Een gevecht in mij tussen bewust en onbewust, een gevecht tussen haar en mij, een gevecht tussen blijven of weggaan. Should I stay or should I go? Weemoedig buig ik het hoofd, erken mijn verlies en laat de troon aan mijn opvolger.
Ik draai me om, wankel en strompel naar de deur. Tot de volgende keer.