Laatst tufte ik met mijn vierwieler door de stad. Het was warm, maar de zomer van 2013 heeft ons allen goed getraind in het verdragen van hoge temperaturen. Ruitjes open, borst ontbloten, roet opsnuiven. Of het nu door de groene kleur van mijn auto kwam of een gebrek aan beschermend groen in de Kleine Stad weet ik niet, maar plots had ik een metgezel. Een sprinkhaan was bezig mijn op een lichte zomerbries wiegende radio-antenne op- en af te klimmen. Ik was even in de war, want het betrof hier geen grijsbruin springdier, maar een frisgroen exemplaar. Eentje zoals van op de plaatjes uit de Artis Historia-boeken.
Ik ging ervan uit dat de zwiepende zenderzoeker het beestje gauw weg ging katapulteren, maar niks was minder waar. Toen ik het na een korte stop niet meteen terug vond, ging ik ervan uit dat het zich terug meer springer dan wandelaar voelde. Het zou tot de tweede versnelling duren alvorens ik het opnieuw te zien kreeg. De grasgroene vlegel kwam gezellig bij me op de schoot zitten. Muisstil. Ik vroeg hem wat de bedoeling was, maar hij strekte enkel maar even de poten. Ik poogde zelf redenen of betekenissen te zoeken achter deze vreemde verschijning maar, hoe inventief ik daar anders in kan wezen, ik kon echt niks bedenken. Ik besloot dan maar om van mijn zwijgzame vriend te wennen. Na een halve dag sloot ik onze kersverse relatie af. Voorzichtig zette ik het in een schoon stukje gras en fluisterde ik het toe dat ik zijn carrière niet in de weg wil staan.