EEN BOOMPJE OPZETTEN

EEN BOOMPJE OPZETTEN

Net als iedere dag, duw ik op de bel om de kinderen op te halen. Ik heb de luxe dat de ouders dichtbij wonen en de kinderen dagelijks van school kunnen oppikken. Achter me hoor ik de mussen druk kwetteren in de haag en ik draai me om. Verschrikt kijk ik naar de boom twee huizen verder. De statige zomereik van weleer is gekortwiekt tot een paal in de grond. De deur gaat open en er klinkt: “Wreed hé”.

Twee huizen verder woonden mijn grootouders. Het was klassieke opstelling van een woning uit begin 20ste eeuw waarvoor in de jaren vijftig een nieuwbouw werd gepoot. De oude woning bleef dienstdoen als garage en rommelkot. Daarachter lag een paradijsje: een gigantische lochtink, waar je meet des zomers met een zakdoek tegen de hitte op haar hoofd kon vinden. Achteraan, helemaal in het hoekje, stond een prachtige zomereik. Eiken zijn de grootouders onder de bomen: je hebt respect voor hun leeftijd, hun kranigheid en de verhalen die ze lijken te vertellen. Hij stond daar niet op straf, maar torende boven het andere levende hout uit en wierp een broodnodige schaduw op de moestuin.

Nadat het huis verkocht werd, verdwenen al gauw de gigantische coniferen – door de grootouders steevast masten genoemd – die de zijkant van ‘den hof’ tegen de wind beschutten. Ook de koterij maakte plaats voor een werkplaats. Er veranderde veel, maar de eik bleef staan. Die stond er namelijk al als een stevige boom toen peet (die dit jaar honderd zou zijn geworden) dit kocht. Hij moet minstens 150 jaar oud geweest zijn. Telkens ik aanbelde, keek ik achterom naar die herinnering.

Tot nu. Hij was een paal geworden, ontdaan van alle zijtakken. Even dacht ik dat er een hedendaagse ‘boomverzorgkunstenaar’ aan het werk was, maar ik wist wel beter. Twee weken later was ook de paal weg. In het diepst van m’n gedachten verfoei ik de nieuwe eigenaar met het beeld van de vrucht van deze boom, maar hij weet niet welke waarde ik aan die boom hechtte.

Ik begrijp alleen het minachten van bomen niet: ik zou dolgelukkig zijn met een zomereik van 150 jaar in de tuin.

Dit was het verhaal van een oude boom en nieuwe mensen, maar het kan ook omgekeerd. In de tuin ontsproot vanonder het tuinhuis een schone berk. Ik liet hem doen, vond het geweldig en zorgde dat de takken niet bij de buren gingen overhangen. Vandaag kreeg ik te horen dat Bert de berk te groot wordt en te veel schaduw dreigt te werpen op de moestuin van de buren. Ik werp nog tegen dat die schaduw misschien welgekomen is met deze droge zomers, maar het mag niet baten. Bert staat sowieso te dicht tegen de draad en verplaatsen lukt niet meer. Bert wordt brandhout.

Of wat te denken van Willy de wilg, de grootste boom uit de tuin die hier al enkele decennia staat. Hij wordt te groot en werpt een schaduw op de zonnepanelen hiernaast. “Om goed te zijn, zou je hem tot twee meter boven de grond moeten afdoen,” hoor ik. Willy meet nu een tienvoud daarvan. Ik kom tot een compromis hem in te toppen en de nieuwe scheuten elk jaar af te doen.

Soms denk ik dat het nooit goedkomt met de mensheid, maar dan zet ik mij in bad met een boek en een blauwe Chimay en dan zijn ook die gedachten snel verdreven.

Elders in den hof komen her en daar zomereikjes boven de grond piepen en ik laat hen doen.

We zetten veel te weinig boompjes op. Over bomen.