Hij gaf nog een extra trap op de pedalen. De wind glooide zich rond zijn ranke lijf, de haren tesamen gebonden in één of andere petconstructie. Het water naast hem slenterde zich richting zee. Maar slenteren, o neen, daar deed hij niet aan mee. Achter hem werden de torens van Gent steeds kleiner. Achteromkijken deed hij niet, neen. Michel Wuyts en José De Cauwer hebben het steevast over “niet omkijken, doorstampen!”. Dat credo volgde hij gedwee. Altijd rechtdoor, zo hard mogelijk.
In zijn jasje had hij één sigaret bij, voor op het einde van de rit. Voor zo veel fysiek labeur mag ik wel één zonde begaan, dacht hij. Hij deed wel vaker gelijkaardige fietstochtjes. Gewoon om even uit te waaien, soms om zwaar te overpeinzen. Vandaag zou de tocht tot Terneuzen gaan, het kanaal stroomafwaarts. Alsof hij zijn levensloop even doorspoelt en gaat kijken aan het einde. Het einde is water, veel water. Eens hij dat gezien zal hebben, keert hij terug – gerust- of teleurgesteld – naar zijn leven. Niks gebeurd.
Maar goed, de trip gaat nog steeds verder. Onze man overschrijdt de Nederlandse grens. Dat belachelijk oranje land moet niet veel moeite doen om op zijn zenuwen te werken. De Hollanders zelf, hun taal, hun attitude, hun kazen, hun bieren, zo goed als alles dus deden hem huiveren. Nu was het weer van dat: in volle WK-euforie kleurde alles terug oranje. In deze hoogdagen voor hoogmoed, lijkt het kanaal het enige niet-oranje object te zijn in de weidse omgeving.
“Hey Belgje, wij worden lekker wereldkampioen!”. Lap, daar hebben we het al. “Wereldkampioen in wat dan? Kaasbollen rollen?” De Hollander liet zich niet van zijn stuk brengen: “Voetbal, boertje. Maar ja, daar doen jullie niet meer aan mee zeker?”. Wel wel, kijk eens aan. “En het beenhouwersgeweld van Van Bommel noem jij dan wel voetbal? Even serieus blijven hé. Of wil hij van voetbal een échte sport maken door te gaan vechten? Wel jongeman, wielrennen dat is pas sport. Neem jij maar die gouden klomp voetbalgeweld, Jurgen Vandenbroeck wint de Tour.”
Opgefokt door de bemoeizieke noorderbuur, stampte hij nog harder op zijn trappers. Aangekomen in Terneuzen zetten onze man zich op een bankje, stak een sigaret aan en bestelde een biertje. Hij overschouwde het water en zag dat het goed was. Straks terug naar huis. Jurgen, laat die Hollanders maar een poepje ruiken.
