Karmapolitie

Wanneer ik zaken te luid, te vaak of te stellig verkondig, kan ik er gif op innemen dat er binnenkort iets zal voorvallen die m’n uitspraken volledig onderuit halen. Ik weet het en toch blijf ik het doen.

Zo zat ik van november tot januari constant met minstens één iemand onder hetzelfde dak die positief testte op COVID. Vele tests in een steeds wisselende teststrategie waren mijn deel. Maar wat er ook gebeurde: ik bleef negatief testen.

Na verloop van tijd ging de besmettingsgolf liggen: iedereen was aan de beurt geweest. Behalve ik, en dat vond ik plezant om te zeggen. Op een wandeling met familie nam ik zelfs het woord ‘immuun’ in de mond. Op het moment dat ik dat deed, moet een sluiswachter van mijn immuunsysteem gedacht hebben ‘ah, bon!’. Een paar dagen later had ik prijs. COVID-karma.

Of die keer dat ik luid op café moest verkondigen dat ik nog ‘nooit iets gebroken had’. Onderweg naar huis dacht ik op een mobylette in plaats van een fiets te zitten, vergat ik te trappen, viel op m’n linkerzijde en brak m’n elleboog.

God straft onmiddellijk. Of binnen de veertien dagen.